Woordsoorten in het Engels

Parts of Speech

Engelse zinnen bestaan uit verschillende soorten woorden. Deze categorieën worden woordsoorten (parts of speech) genoemd, en elk heeft een andere functie in de zin.

Zelfstandige naamwoorden (Nouns)

Nouns duiden mensen, plaatsen, voorwerpen of abstracte begrippen aan.

TypeVoorbeelden
Persoonteacher, doctor, student
Plaatscity, school, park
Voorwerpbook, car, phone
Begriplove, freedom, happiness

Werkwoorden (Verbs)

Werkwoorden beschrijven een actie of een toestand.

TypeVoorbeelden
Actiewerkwoordenrun, eat, write
Mentale werkwoordenthink, know, believe
Toestandsverbabe, seem, exist
Hulpwerkwoordenhave, do, will

Voornaamwoorden (Pronouns)

Pronouns worden gebruikt om herhaling van nouns te voorkomen.

TypeVoorbeelden
OnderwerpsvormenI, you, he, she, it, we, they
Voorwerpsvormenme, you, him, her, it, us, them
Bezittelijke vormenmine, yours, his, hers
Wederkerende vormenmyself, yourself, themselves

Belangrijkste woordsoorten

Hieronder staan de meest voorkomende woordsoorten in het Engels.

WoordsoortFunctieVoorbeeld
Noun (Zelfstandig naamwoord)Duidt een persoon, plaats, ding of begrip aanteacher, city, book
Verb (Werkwoord)Drukt een actie of toestand uitrun, eat, be
Adjective (Bijvoeglijk naamwoord)Beschrijft het zelfstandig naamwoordbig, happy, red
Adverb (Bijwoord)Bepaalt het werkwoord of bijvoeglijk naamwoord naderquickly, very
Pronoun (Voornaamwoord)Wordt gebruikt in plaats van een zelfstandig naamwoordhe, she, it
Preposition (Voorzetsel)Geeft plaats, tijd of relatie aanin, on, under
Conjunction (Voegwoord)Verbindt woorden of zinnenand, but, because
Interjection (Tussenwerpsel)Drukt emotie uitwow!, oh!

Voegwoorden (Conjunctions)

Conjunctions verbinden woorden of zinnen met elkaar.

TypeVoorbeeldenZin
Nevenschikkendand, but, orI like tea and coffee.
NevenschikkendbutShe tried but failed.
Onderschikkendbecause, althoughI stayed home because it rained.
OnderschikkendifCall me if you arrive.

Voorbeeldzinnen

The happy child runs quickly.Het gelukkige kind rent snel.
She reads a book in the park.Ze leest een boek in het park.
They arrived at the station.Ze kwamen aan bij het station.
I like coffee and tea.Ik houd van koffie en thee.
Wow! That movie was amazing.Wauw! Die film was geweldig.

Voorzetsels (Prepositions)

Prepositions tonen de relatie van plaats, tijd of richting tussen woorden.

Tussenwerpsels (Interjections)

Interjections zijn woorden die plotselinge emoties of reacties uitdrukken.

The book is on the table.Het boek ligt op de tafel.
She arrived at 6 PM.Ze kwam om 18:00 uur aan.
He walked into the room.Hij liep de kamer in.
The cat is under the chair.De kat zit onder de stoel.

Bijvoeglijke naamwoorden en Bijwoorden

Adjectives beschrijven nouns. Adverbs bepalen verbs, adjectives of andere adverbs nader.

TypeVoorbeeldZin
Bijvoeglijk naamwoordbiga big house
Bijvoeglijk naamwoordhappya happy child
BijwoordquicklyShe runs quickly.
BijwoordveryThe movie is very interesting.
Wow!verrassing of bewondering
Oh!verbazing
Oops!bij een klein foutje
Hey!om de aandacht te trekken

Meer Engelse grammatica