Voornaamwoorden in het Engels

Pronouns

In het Engels worden woorden die zelfstandige naamwoorden vervangen pronouns (voornaamwoorden) genoemd. Ze voorkomen herhaling en verbeteren de zinsopbouw.

Voorwerpvoornaamwoorden (Object Pronouns)

Deze fungeren als het lijdend voorwerp van een werkwoord.

VoornaamwoordVoorbeeld
meShe called me.
youI saw you.
himI helped him.
herI know her.
itI found it.
usThey invited us.
themI met them yesterday.

Persoonlijke voornaamwoorden (Personal Pronouns)

Deze worden gebruikt als onderwerp of lijdend voorwerp in een zin.

OnderwerpVoorwerpVoorbeeldzin
ImeI love you.
YouyouI saw you yesterday.
HehimHe likes pizza.
SheherShe called me.
ItitI found it.
WeusWe saw them.
TheythemThey invited us.

Betrekkelijke voornaamwoorden (Relative Pronouns)

Gebruikt om zinnen met elkaar te verbinden.

VoornaamwoordGebruikVoorbeeld
whovoor mensenThe man who called you is here.
whomvoor mensen (voorwerp)The person whom I met is kind.
whosebezit (wiens)The girl whose bag is red is my friend.
whichvoorwerpen / dierenI saw a dog which was barking.
thatmensen of voorwerpenThis is the book that I like.

Wederkerende voornaamwoorden (Reflexive Pronouns)

Gebruikt wanneer het onderwerp en het voorwerp dezelfde persoon zijn.

VoornaamwoordVoorbeeld
myselfI did it myself.
yourselfYou should take care of yourself.
himselfHe hurt himself.
herselfShe introduced herself.
itselfThe cat cleaned itself.
ourselvesWe enjoyed ourselves.
yourselvesYou can help yourselves.
themselvesThey organized themselves.

Onbepaalde voornaamwoorden (Indefinite Pronouns)

Verwijzen naar niet-specifieke personen of zaken.

VoornaamwoordVoorbeeld
someoneSomeone is at the door.
anyoneIs anyone home?
everyoneEveryone likes chocolate.
no oneNo one knew the answer.
somethingSomething is wrong.
anythingDid you see anything?
nothingNothing happened.

Bezittelijke voornaamwoorden (Possessive Pronouns)

Deze geven bezit of eigendom aan.

VormGebruikVoorbeeld
myvóór een zelfst. nw.my book
minealleenstaandThis book is mine.
yourvóór een zelfst. nw.your bag
yoursalleenstaandThe bag is yours.
hisvóór nw. of alleenhis car / The car is his.
hervóór nw. of alleenher house / The house is hers.
itsvóór een zelfst. nw.its color
ourvóór een zelfst. nw.our teacher
oursalleenstaandThe classroom is ours.
theirvóór een zelfst. nw.their team
theirsalleenstaandThe team is theirs.

Voorbeeldzinnen

I saw her yesterday.Ik heb haar gisteren gezien.
This is my book.Dit is mijn boek.
She did it herself.Ze heeft het zelf gedaan.
Someone is at the door.Er is iemand bij de deur.
The man who called you is here.De man die je belde is hier.
Whose pen is this?Van wie is deze pen?
Those are beautiful houses.Dat zijn mooie huizen.
I met them yesterday.Ik heb hen gisteren ontmoet.

Aanwijzende voornaamwoorden (Demonstrative Pronouns)

Gebruikt om dichtbije of verre objecten aan te wijzen.

VoornaamwoordBetekenisVoorbeeld
thisdit/deze (dichtbij)This is my book.
thesedeze (dichtbij)These are my friends.
thatdat/die (ver weg)That is a tree.
thosedie (ver weg)Those are beautiful houses.

Vragende voornaamwoorden (Interrogative Pronouns)

Gebruikt om vragen te stellen.

VoornaamwoordVoorbeeld
whoWho is calling?
whomWhom did you meet?
whoseWhose bag is this?
whichWhich one do you prefer?
whatWhat is your name?

Veelgemaakte fouten

Typische fouten van studenten:

  • Onderwerp en voorwerp door elkaar halen
  • Wederkerende voornaamwoorden verkeerd gebruiken
  • Bezittelijke voornaamwoorden verwarren met bijvoeglijke naamwoorden
  • Betrekkelijke voornaamwoorden weglaten of foutief kiezen
  • Aanwijzende voornaamwoorden verwarren met zelfst. nw.

Meer Engelse grammatica