De voltooid tegenwoordige tijd in het Duits
das Perfekt
Test jezelf met een korte quizHet Perfekt is in gesproken Duits de normale manier om over het verleden te praten. Je vormt het met haben of sein + voltooid deelwoord, en het deelwoord gaat naar het eind van de zin.
Zo vorm je het Perfekt
Vervoeg haben of sein in de tegenwoordige tijd en zet het op de tweede plaats. Het voltooid deelwoord verandert nooit en gaat naar het eind.
| Onderwerp | machen | fahren |
|---|---|---|
| ich | habe gemacht | bin gefahren |
| du | hast gemacht | bist gefahren |
| er/sie/es | hat gemacht | ist gefahren |
| wir | haben gemacht | sind gefahren |
| ihr | habt gemacht | seid gefahren |
| sie/Sie | haben gemacht | sind gefahren |
Haben of sein?
De meeste werkwoorden krijgen haben. Sein gebruik je bij een beweging van de ene plek naar de andere, bij een verandering van toestand en bij een paar werkwoorden die je gewoon leert. Let op: het Nederlands gebruikt hier soms een ander hulpwerkwoord, dus vertrouw niet altijd op je gevoel.
| Regel | Werkwoorden | Voorbeeld |
|---|---|---|
| haben: werkwoorden met een accusatiefobject | kaufen, lesen, sehen | Ich habe ein Buch gekauft. |
| haben: wederkerende werkwoorden | sich freuen, sich waschen | Er hat sich gefreut. |
| haben: de meeste andere werkwoorden | arbeiten, schlafen, wohnen | Wir haben lange geschlafen. |
| sein: beweging van A naar B | gehen, fahren, fliegen, kommen | Wir sind nach Berlin gefahren. |
| sein: verandering van toestand | aufwachen, einschlafen, sterben, wachsen | Das Baby ist eingeschlafen. |
| sein: werkwoorden om te leren | sein, bleiben, werden, passieren | Was ist passiert? |
Zo vorm je het voltooid deelwoord
Regelmatige werkwoorden krijgen ge- + stam + -t (met -et na een stam op -t of -d). Onregelmatige werkwoorden krijgen ge- + stam + -en, vaak met een klinkerwisseling. Een paar gemengde werkwoorden veranderen de klinker maar eindigen op -t.
| Soort | Infinitief | Deelwoord |
|---|---|---|
| Regelmatig | machen | gemacht |
| Regelmatig | kaufen | gekauft |
| Regelmatig, stam op -t | arbeiten | gearbeitet |
| Onregelmatig | sehen | gesehen |
| Onregelmatig | trinken | getrunken |
| Onregelmatig | gehen | gegangen |
| Onregelmatig | sein | gewesen |
| Gemengd | bringen | gebracht |
| Gemengd | denken | gedacht |
| Gemengd | wissen | gewusst |
Geen ge-: werkwoorden op -ieren en onscheidbare voorvoegsels
Werkwoorden op -ieren en werkwoorden met de onbeklemtoonde voorvoegsels be-, emp-, ent-, er-, ge-, miss-, ver- en zer- krijgen nooit ge-.
| Soort | Infinitief | Deelwoord |
|---|---|---|
| -ieren | studieren | studiert |
| -ieren | telefonieren | telefoniert |
| be- | bezahlen | bezahlt |
| ver- | verstehen | verstanden |
| er- | erzählen | erzählt |
| emp- | empfehlen | empfohlen |
Test jezelf
5 korte vragen over deze les. Hoeveel heb jij er goed?
Kies het juiste antwoord.
Scheidbare werkwoorden
Bij scheidbare werkwoorden komt ge- tussen het voorvoegsel en de stam, en het deelwoord schrijf je als één woord, net als in het Nederlandse 'opgestaan'.
| Infinitief | Deelwoord | Voorbeeld |
|---|---|---|
| aufstehen | aufgestanden | Ich bin um sechs aufgestanden. |
| einkaufen | eingekauft | Wir haben im Supermarkt eingekauft. |
| anrufen | angerufen | Hast du deine Mutter angerufen? |
| fernsehen | ferngesehen | Sie haben den ganzen Abend ferngesehen. |
| ausprobieren | ausprobiert | Ich habe das Rezept ausprobiert. |
Woordvolgorde, ontkenningen en vragen
Het hulpwerkwoord blijft op de tweede plaats en het deelwoord sluit de zin af. Nicht staat vlak voor het deelwoord. In ja-neevragen komt het hulpwerkwoord vooraan. In een bijzin gaat het hulpwerkwoord helemaal naar het eind.
Perfekt of Präteritum?
Beide beschrijven afgeronde gebeurtenissen in het verleden, met dezelfde betekenis. In spreektaal gebruiken Duitsers het Perfekt voor de meeste werkwoorden, maar het Präteritum voor sein, haben en de modale werkwoorden. Verhalen en nieuwsberichten gebruiken het Präteritum. Zie de les over de verleden tijd voor de vormen van het Präteritum.
| Meestal Perfekt in spreektaal | Meestal Präteritum in spreektaal |
|---|---|
| Ich habe Pizza gegessen. | Ich war gestern krank. |
| Wir sind ins Kino gegangen. | Wir hatten keine Zeit. |
| Er hat mich angerufen. | Er musste arbeiten. |
Veelgemaakte fouten
| Fout | Goed | Waarom |
|---|---|---|
| Ich habe nach Hause gegangen. | Ich bin nach Hause gegangen. | Beweging van A naar B krijgt sein. |
| Ich habe Medizin gestudiert. | Ich habe Medizin studiert. | Werkwoorden op -ieren krijgen geen ge-. |
| Sie hat ein Geschenk gebekommen. | Sie hat ein Geschenk bekommen. | Onscheidbare voorvoegsels krijgen geen ge-. |
| Wir haben geeinkauft. | Wir haben eingekauft. | Bij scheidbare werkwoorden komt ge- na het voorvoegsel. |
| Er hat an sie gedenkt. | Er hat an sie gedacht. | Gemengde werkwoorden veranderen de stam en eindigen op -t. |
| Ich habe gemacht meine Hausaufgaben. | Ich habe meine Hausaufgaben gemacht. | Het deelwoord gaat naar het eind. |