De onvoltooid verleden tijd in het Spaans

El pretérito imperfecto

Test jezelf met een korte quiz

De imperfecto (hablaba) beschrijft het verleden als iets wat aan de gang was: wat er vroeger gebeurde, wat er op dat moment gebeurde en hoe dingen waren. Hij schetst de achtergrond, terwijl de pretérito vertelt wat er gebeurde.

Zo vorm je de imperfecto

Haal -ar, -er of -ir weg en voeg de uitgang toe. Werkwoorden op -er en -ir hebben dezelfde uitgangen. De yo-vorm en de él/ella-vorm zijn gelijk, dus noem het onderwerp als het niet duidelijk is.

Onderwerphablarcomervivir
yohablabacomíavivía
túhablabascomíasvivías
él/ella/ustedhablabacomíavivía
nosotros/ashablábamoscomíamosvivíamos
vosotros/ashablabaiscomíaisvivíais
ellos/ellas/ustedeshablabancomíanvivían
  • Er zijn geen stamveranderingen: pensaba, dormía, quería.
  • Bij werkwoorden op -ar heeft alleen nosotros een accent: hablábamos.
  • Alle vormen op -er en -ir hebben een accent op de í.

De drie onregelmatige werkwoorden

Alleen ser, ir en ver zijn onregelmatig. Ver houdt gewoon de e van zijn stam. Había (er was, er waren) komt van haber en is altijd enkelvoud.

Onderwerpserirver
yoeraibaveía
túerasibasveías
él/ella/ustederaibaveía
nosotros/aséramosíbamosveíamos
vosotros/aseraisibaisveíais
ellos/ellas/ustedeseranibanveían

Wanneer gebruik je de imperfecto?

Gebruik hem voor gewoontes, beschrijvingen en achtergrond. Woorden als siempre, todos los días, cada verano, a menudo, de pequeño en mientras gaan er vaak mee samen.

GebruikVoorbeeldVertaling
Gewoontes in het verledenDe pequeño jugaba al fútbol todos los días.Als kind voetbalde ik elke dag.
BeschrijvingenLa casa era grande y tenía jardín.Het huis was groot en had een tuin.
Tijd en leeftijdEran las ocho y yo tenía diez años.Het was acht uur en ik was tien.
Handelingen die aan de gang warenMientras cocinaba, escuchaba la radio.Terwijl ik aan het koken was, luisterde ik naar de radio.
Toestanden en gevoelensEstábamos muy cansados.We waren erg moe.
Beleefde verzoekenQuería pedirle un favor.Ik wilde u om een gunst vragen.

Test jezelf

5 korte vragen over deze les. Hoeveel heb jij er goed?

0 XP
Vraag 1 van 5

Kies het juiste antwoord.

¿Qué hora ___ cuando llegaste a casa? (ser)

Imperfecto of pretérito

De pretérito (hablé) brengt een handeling als afgerond, vaak op een bepaald moment. De imperfecto laat haar zien als doorlopend of herhaald, zonder duidelijk einde. In een verhaal is de imperfecto de achtergrond en de pretérito de gebeurtenis die haar onderbreekt.

ContrastImperfectoPretérito
Gewoonte of één keerIba a la playa cada verano.Fui a la playa el verano pasado.
Achtergrond of gebeurtenisHacía sol.De repente empezó a llover.
Aan de gang of afgerondLeía un libro.Leí el libro entero.
Dormía cuando sonó el teléfono.Ik lag te slapen toen de telefoon ging.Achtergrond in de imperfecto, onderbreking in de pretérito.

Werkwoorden die van betekenis veranderen

Sommige werkwoorden drukken in de imperfecto een toestand uit, maar in de pretérito een eenmalige gebeurtenis.

WerkwoordImperfectoBetekenisPretéritoBetekenis
conocerconocíakende (iemand)conocíleerde kennen
sabersabíawist (een feit)supekwam te weten
quererno queríawilde nietno quiseweigerde
poderpodíakonpudeslaagde erin

Veelgemaakte fouten

Dit zijn de fouten die leerlingen het vaakst maken.

  • -aba gebruiken bij werkwoorden op -er en -ir: zeg comía, niet 'comaba'.
  • De accenten vergeten: comía, vivíamos, íbamos.
  • Ver als regelmatig behandelen: zeg veía, niet 'vía'.
  • De pretérito gebruiken voor tijd en leeftijd: zeg eran las tres en tenía veinte años.
  • De imperfecto gebruiken voor een afgeronde gebeurtenis: zeg ayer fui al médico, niet 'ayer iba al médico'.
  • Había meervoud maken: zeg había muchas personas, niet 'habían muchas personas'.

Voorbeeldzinnen

Cuando era niña, vivía en un pueblo cerca de Toledo.Toen ik klein was, woonde ik in een dorp bij Toledo.
Mis abuelos siempre nos llevaban al río.Mijn grootouders namen ons altijd mee naar de rivier.
No sabía que estabas aquí.Ik wist niet dat je hier was.
¿Dónde vivíais antes de mudaros?Waar woonden jullie voordat jullie verhuisden?
Había mucha gente en la plaza.Er waren veel mensen op het plein.
Llovía y hacía frío cuando salimos.Het regende en het was koud toen we naar buiten gingen.
Antes no me gustaba el café.Vroeger vond ik koffie niet lekker.

Meer Spaanse grammatica