Basisvoorzetsels in het Spaans
Las preposiciones básicas
Test jezelf met een korte quizEen handvol korte woordjes doet in het Spaans het meeste werk: a, de, en, con, por en para. Hun gebruik komt niet altijd overeen met het Nederlandse 'naar', 'van', 'in', 'met' en 'voor', dus leer ze met voorbeelden.
A: richting, tijd en personen
A geeft aan waar je heen gaat, hoe laat iets is en wie iets ontvangt.
| Gebruik | Voorbeeld | Vertaling |
|---|---|---|
| Richting | Voy a Madrid. | Ik ga naar Madrid. |
| Kloktijd | La clase empieza a las nueve. | De les begint om negen uur. |
| Ontvanger | Le doy el libro a Ana. | Ik geef het boek aan Ana. |
| Manier | Vamos a pie. | We gaan te voet. |
| Ir a + infinitief | Voy a cocinar. | Ik ga koken. |
De persoonlijke a
Als het lijdend voorwerp een bepaalde persoon is, of een huisdier dat je als persoon behandelt, zet het Spaans er a voor. Die a vertaal je in het Nederlands niet. Je gebruikt hem niet bij dingen, en meestal ook niet na tener.
De: bezit, herkomst en materiaal
De verbindt twee zelfstandige naamwoorden en vervangt de Nederlandse bezits-s, zoals in 'vaders auto'.
| Gebruik | Voorbeeld | Vertaling |
|---|---|---|
| Bezit | el coche de mi padre | de auto van mijn vader |
| Herkomst | Soy de Valencia. | Ik kom uit Valencia. |
| Materiaal | una mesa de madera | een houten tafel |
| Inhoud | un vaso de agua | een glas water |
| Soort | la clase de español | de les Spaans |
| Van... tot | Trabajo de nueve a cinco. | Ik werk van negen tot vijf. |
De samentrekkingen al en del
A + el wordt altijd al, en de + el wordt del. Met la, los, las of met het voornaamwoord él trek je niet samen.
| Woorden | Resultaat | Voorbeeld | Vertaling |
|---|---|---|---|
| a + el | al | Voy al cine. | Ik ga naar de bioscoop. |
| de + el | del | la casa del profesor | het huis van de leraar |
| a + la | a la | Voy a la playa. | Ik ga naar het strand. |
| de + él | de él | un regalo de él | een cadeau van hem |
Test jezelf
5 korte vragen over deze les. Hoeveel heb jij er goed?
Kies het juiste antwoord.
En en con
En dekt bij plaatsen het Nederlandse 'in', 'op' en 'bij', en daarnaast vervoer, maanden en jaren. Dagen van de week krijgen geen voorzetsel: el lunes. Con betekent 'met'; con + mí en con + ti worden conmigo en contigo.
Por of para
Allebei kunnen ze 'voor' betekenen. Para kijkt vooruit naar een doel, een bestemming of een deadline. Por kijkt terug naar een oorzaak, of beschrijft een route, een ruil of een middel.
| Voorzetsel | Gebruik | Voorbeeld | Vertaling |
|---|---|---|---|
| para | Doel | Estudio para aprobar. | Ik studeer om te slagen. |
| para | Ontvanger | Este regalo es para ti. | Dit cadeau is voor jou. |
| para | Deadline | Lo necesito para el viernes. | Ik heb het vrijdag nodig. |
| para | Mening | Para mí, es demasiado caro. | Volgens mij is het te duur. |
| por | Oorzaak | No salimos por la lluvia. | We gingen niet naar buiten vanwege de regen. |
| por | Door, langs | Paseamos por el parque. | We wandelen door het park. |
| por | Ruil, prijs | Lo compré por diez euros. | Ik heb het voor tien euro gekocht. |
| por | Middel | Te llamo por teléfono. | Ik bel je op. |
| por | Deel van de dag | Trabajo por la mañana. | Ik werk 's ochtends. |
Veelgemaakte fouten
Veel werkwoorden hebben een vast voorzetsel dat anders is dan in het Nederlands.
- Denken aan: zeg pienso en ti, niet 'pienso a ti'.
- Verliefd worden op: zeg enamorarse de, niet 'enamorarse en'.
- Trouwen met en dromen van: zeg casarse con en soñar con.
- Afhangen van: zeg depender de, niet 'depender en'.
- Bedanken voor: zeg gracias por tu ayuda, niet 'gracias para tu ayuda'.
- Dagen: zeg el lunes, niet 'en el lunes'.
- De persoonlijke a vergeten: zeg busco a Juan, niet 'busco Juan'.